Verhalen

die veel duidelijk maken

DEEL 1: Flynn, het jongetje met een hoorapparaat zonder batterij

Als de eerste avond valt in het zomerkamp voor kansarme kinderen van BiJeVa, is de twaalfjarige Flynn opvallend stil. Hij reageert niet als andere kinderen vragen om te spelen en dat vinden ze dan maar stom. “Flynn, waarom zeg je niets meer?”, probeert begeleidster Virgini zachtjes tot hem door te dringen. Er rolt een traan over de wang van de jongen. Ineens valt het oog van Virgini op het hoorapparaat van de kleine Flynn. De batterijtjes zijn op. En bij Flynn thuis was er geen geld voor nieuwe toen ze hem maandagochtend aan de kampplaats dropten voor een week. Kansarmoede, het snijdt door merg en been.

Het zomerkamp van BiJeVa, een organisatie die kansarmoede verzacht, is al vele jaren een houvast voor een kleine honderd kinderen uit de ruime regio rond Geraardsbergen en Zottegem. Een veilige haven voor kansarme kinderen die rondom u en mij opgroeien in thuissituaties die wij ons niet eens kunnen inbeelden. Kinderen die met honger gaan slapen omdat thuis het geld op is? U vindt ze hier. Kinderen van twaalf die ’s morgens alleen opstaan en hun jongere broertjes en zusjes klaarmaken voor school omdat mama nog niet terug is van cafébezoek? Ze lopen hier rond. Kinderen van tien jaar waarvoor de laatste nachtzoen of warme knuffel alweer geleden is van het vorige zomerkamp? Check. Dit is Vlaanderen op zijn rauwst.

Vijf jaar geleden was ik een hele week bevoorrechte getuige van het BiJeVa-zomerkamp. Ik kende bezielster Anny De Windt en haar echtgenoot Toon al wel eventjes en wilde eens iets doen voor hen. Zakdoek leggen of tikkertje spelen is mijn ding zo niet. En in de keuken zou ik allicht meer fout dan goed doen. Maar bijspringen waar nodig, eens een bed opmaken, een vuile snoet proper vegen of traantjes opvangen, dat kan ik wel. De verhalen van de kinderen maakten impact op me. Ik schreef er een artikelenreeks over.

Hoe zou het nog met de kinderen zijn? Hoe zou het Tim en Leander vergaan zijn, de jongetjes die leefden in de truckerscabine van hun vader, een internationaal chauffeur? Wat zou er van de veertienjarige Simon geworden zijn, wiens papa én mama dat jaar waren gestorven. Simon vertelde toen hoe hij sindsdien met zijn twee oudere tienerbroertjes alleen thuis leefde. Het noodlot had van Simon veel te snel een volwassene gemaakt, maar dààr -op dat BiJeVa-zomerkamp in 2017- kon hij nog eens heel even kind zijn. En hoe zou het nog zijn met het kind met de sneeuwlaarsjes? De foto van de zesjarige in sneeuwlaarzen op een bloedheet zomerkamp had een deel van Vlaanderen beroerd. Hoe vergaat het hem vandaag?

“Kom maar langs!”, zei Anny aan telefoon. “Als het kamp start en de poorten van jeugdherberg ’t Schipken openzwaaien en de kinderen naar binnen komen, ga je veel gezichten herkennen. Helaas…”

BLIJ
Anny had gelijk. Die maandagochtend, eerste kampdag, was er een van blij weerzien. Nou ja, blij… Hoor je blij te zijn als het kind dat vijf jaar geleden -bij gebrek aan schoenen- in sneeuwlaarzen van de autobus stapte, in 2022 opnieuw door de poorten van de jeugdherberg wandelt? Het eerste waar ik naar kijk zijn de schoenen. Die laarsjes zijn vanzelfsprekend verdwenen en vandaag draagt de -inmiddels elfjarige- jongen leuke Puma’s. ‘Ik kan hier goed mee rennen”, zegt hij. “Hardlopen is mijn hobby! Ik denk wel dat ik al twee kilometer kan lopen zonder stoppen!”
De schoenen zijn wel een heel klein beetje stuk, maar ik sus me met de gedachte dat ook kansrijke ravottende en rennende kinderen hun schoenen niet heel kunnen houden. Het enige verschil is dat er daar dan doorgaans meteen geld is voor een nieuw paar. “Wat ben ik blij dat ik je terugzie”, zeg ik tegen hem. Maar is dat eigenlijk echt wel zo? Want dat we mekaar hier zien is een teken dat hij nog steeds leeft in een kansarme omgeving. Eentje waar geen geld is voor voeding, kleding, hobby’s van kinderen of schoolmateriaal. Laat staan dat er geld is voor vakanties of andere extra’s. Het is een teken dat op vijf jaar tijd niet veel veranderd is voor hem. Maar hij heeft er zin in, zegt hij. Hij kijkt uit naar een week spelen met vriendjes. Hij zal de snelste loper zijn van heel het kamp! Dat weet hij nu al.

Langzaam druppelt het binnenpleintje van de jeugdherberg vol kinderen tussen zes en veertien jaar. De meeste kinderen komen met een grote autobus die hen is gaan oppikken op verzamelpunten in Aalst, Zottegem, Herzele of Ninove. Kinderen die dichterbij wonen, worden gebracht door ouders, een voogd of een vriend. Ineens rinkelt de telefoon op het secretariaat van de jeugdherberg. Er hangt een onhaalmedewerker van een nabijgelegen zwembadcomplex aan de lijn. Vòòr hem staan twee kleine kinderen, broers van een jaar of tien, met een rugzak en wat reservekledij. Ze zijn afgezet -nou ja, gedumpt- op de parking van het zwembad door een familievriend die wat halve richtlijnen had meegekregen en vermoedde dat het BiJeVa-kamp daar wel ergens was. Hij liet de kinderen moederziel alleen achter. De broertjes trokken dan maar naar het onthaal van het zwembad. Gelukkig had die onthaalmedewerker recent

in de krant gelezen van het kamp voor kansarme kinderen en werd de link gelegd. “Dit geloof je niet als je het niet meemaakt”, zegt begeleider Sven terwijl de kinderen worden opgepikt door toesnellende leiders. “Maar het is verdorie de harde realiteit.”

Als uiteindelijk alle kinderen verzameld zijn op de binnenplaats van de jeugdherberg, springt leidster Isabelle naar oude gewoonte bovenop een houten tafel. “We zijn suuuuuuperblij dat jullie hier weer allemaal zijn!”, zegt ze. En ze spreekt meteen wat regels af. De allerbelangrijkste is elke keer dezelfde: “Hier wordt niét gepest!”

Er staan mooie dingen op het BiJeVa-programma, die eerste vakantiedagen. Het kamplied, eentje van de Minions, verraadt eigenlijk al een beetje dat er straks -dankzij sponsors- naar de cinema gegaan kan worden om te kijken naar ‘The Rise of Gru’…. Voor erg veel kinderen is het de allereerste keer in hun leventje dat ze plaatsnemen in de zetels van een cinemazaal.

“Nog nooit was ik in zo’n grote zaal”, glundert de kleine Keano terwijl de verwondering in zijn ogen zichtbaar is. Hij ként natuurlijk dat liedje van de Minions en had ook al wel over de film horen vertellen door wat -rijkere- vriendjes. Voor Keano kan nu de vakantie nu al niet meer stuk. Straks, als de school terug start, kan ook hij vertellen dat hij de film heeft gezien. Achter in de cinemazaal staat Toon, echtgenoot van Anny en stille drijvende kracht achter het hele BiJeVa-gebeuren. “De meeste van deze kinderen duiken weg, die eerste schooldagen, als de meesters en de juffen in een volle klas vragen hoe de zomervakantie was. Dan vertellen de kansrijke kinderen over de mooie reizen naar Frankrijk, Spanje of andere verre vakantiebestemmingen. Ze vertellen over pretparken die ze bezochten, de films die ze zagen. Dat is elk jaar opnieuw een van de pijnlijkste momenten om het schooljaar te starten. Als kind uitgelachen worden door je klasgenootjes of soms zelfs je meester of juf, dat kerft in je ziel. Voor altijd.

TIM
Nadat Toon op de eerste kampavond het hoorapparaat van Flynn openprutst om te kijken welk soort batterijen daar nou in moeten, slaakt hij een zucht van opluchting. “Dat gaan we morgenochtend bij het openen van de winkels meteen kunnen oplossen”, zegt. En tegelijkertijd is hij een beetje (veel) teleurgesteld in de mama van de jongen. “Het geld voor die batterijen zal zoals gewoonlijk wel ergens anders naartoe gegaan zijn. Ze weet perfect dat wij dan wel voor nieuwe zullen zorgen. En dat wij ze zullen betalen. Het kan voor Flynn helaas vanavond niet meer, dus het zal met gebarentaal zijn tot morgenvroeg.”
Leider Tim wordt erbij geroepen. Hij krijgt de lege batterij mee, samen met de opdracht om bij het ochtendgloren al op zoek te gaan. Als ik Tim bekijk, herken ik hem meteen. Tim is de helft van twee broertjes waar ik vijf jaar geleden over schreef.

Tim en zijn broer Leander waren nog maar kleuters toen ze met hun papa de ouderlijke woonst moesten verlaten. Een jaar sliepen ze in zijn vrachtwagen, daarna in een bouwvallig huurhuis. “Wij hadden een bed, papa sliep op karton. Verwarming was er niet. Als we op winteravonden het water op de keukentafel lieten staan, was het ’s ochtends bevroren. Zo koud was het in huis.” Dat was vijf jaar geleden het verhaal van de broers.

Vandaag is Tim een grote, volwassen en verantwoordelijke jongeman van negentien. “Eigenlijk is het al bij al wel goedgekomen met mij”, zegt hij. “Ik heb mijn lagere school kunnen afwerken en studeer nu verder. Automotive Management. Ik zou graag later een eigen bedrijf opstarten met mijn beste vriend. Een autogarage! Hij zou dan aan auto’s kunnen sleutelen en reparaties kunnen doen en ik zou de verkoop voor mijn rekening nemen.”

Het was overigens een garagist uit het dorp die het gezin jaren geleden een klein beetje uit de armoede trok. De lagere school van Tim en zijn broer Leander lag toen nog kilometers ver en geld voor een fiets of een busabonnement had hun papa niet. Een auto al helemaal niet. Een garagist uit het dorp had de kinderen al wel vaker van en naar school zien wandelen en klopte plots op de deur van het huurhuis van Tims vader. Hij bood een oude, tweedehands maar mooi opgeknapte auto aan voor 50 euro. Dat kon de vader van Tim net betalen. Na de lagere schooltijd stond diezelfde garagist terug aan de deur met het voorstel om die oude en versleten auto terug te kopen. Voor 500 euro!

Tim is die garagist met zijn gouden hart nooit vergeten. Hij heeft diepe indruk achtergelaten op de tiener. Dat vertelde hij mezelf ooit.

En een eigen garage, het is dan misschien nog een droom, maar hij ligt wel binnen bereik. Tim heeft een onwaarschijnlijk trieste rugzak die hij meesleurt, maar hij is er wel in geslaagd om iets te maken van zijn leven. Dankzij zijn papa. En ook dankzij BiJeVa die de familie altijd is blijven steunen. Dat maakt dat Tim vandaag ook als leider meegaat met het kamp voor kansarme kinderen. “Ik wil er zijn voor die kleine kinderen zoals er al die jaren leiding was voor mij.”

Tim doet het goed. Maar als ik vraag hoe het met zijn jongere broer Leander gaat, dan raak ik een teer punt bij de stoere jongeman. “Wat foute vrienden ontmoet en gekozen voor een leven vol drugs”, vat hij het voorzichtig samen. “Een Ttjetjeense drugbaron heeft intussen een prijs op het hoofd van de tiener gezet. Papa en ik hebben geprobeerd om hem te behoeden, maar het is ons niet gelukt”, zegt Tim.

Het verhaal van Tim en Leander grijpt me aan. “Je geschiedenis bepaalt je lot niet”, zei iemand me onlangs. De broers zijn daarvan het levende bewijs. Hoe kunnen twee kinderen uit eenzelfde nest zo verschillen? Tim gaat het halen, straks. En zijn broer is een vogel voor de kat.

Als de avond valt gaan de kinderen zich douchen. Voor sommigen is dat lang geleden. Lichaamsverzorging is in een kansarme omgeving vaak geen prioriteit. Iedereen wordt nog vlug even gecontroleerd op luizen en een paar kinderen krijgen wat extra verzorging om die beestjes tegen morgenochtend weg te hebben. Dan is het slaaptijd. Ik zie hoe enkele leiders in een zelfverzonnen gebarentaal Flynn proberen duidelijk te maken dat hij morgen weer horen zal. Ik denk dat het gelukt is, want hij lacht, steekt zijn duim omhoog en geeft de leiding nog een dikke knuffel.

Tekst en foto’s : Kurt Wertelaers
(op vraag zijn enkele voornamen veranderd)
Morgen deel 2: Gescheiden broers en zusjes zien mekaar hier sinds lang weer terug www.bijeva.be

DEEL 2: Gescheiden broers en zusjes zien mekaar hier sinds lang weer terug

’s Ochtends, nog voor het ontbijt, zit Aaron (12) alleen op een bank op het binnenplein van jeugdherberg ’t Schipken. Hij wacht er op zijn jaar jonger zusje Chelsea dat in een meisjeskamer slaapt. Als die plots buitenkomt met in haar ene hand een knuffel terwijl ze met de andere de slaap uit haar oogjes wrijft, schiet Aaron als een speer naar het meisje om haar te knuffelen. Toen hun ouders uit mekaar gingen werden ze beiden in een tehuis geplaatst. Apart. De BiJeVa-vakantie voor kansarme kinderen is het eerste moment sinds lang dat ze mekaar terugzien.

“Dat verhaal raakt me zo”, zegt bezielster Anny De Windt. “De jongen kreeg ik vlot mee uit zijn tehuis. Maar hij wilde zo graag dat zijn zusje er ook bij zou zijn. Daar heb ik dan hemel en aarde voor moeten bewegen om ook haar hier te krijgen. Sinds die mekaar terugzagen op de bus richting vakantiekamp, zijn ze onafscheidelijk. ’s Avonds knuffelen ze mekaar bijna dood voor ze naar hun kamers gaan en ’s ochtends zit dat manneke hier alweer te wachten op zijn zus…”

Anny -die tijdens dit kamp 79 jaar wordt- houdt er nog een papieren administratie op na. Ik kijk mee over haar schouder als ze voor me telt hoeveel kinderen er in tehuizen zitten en zie van waar ze overal komen: Haaltert, Oudenaarde, Erpe-Mere, Herzele, Geraardsbergen, Zottegem, Wetteren, Ninove. En dan nog enkele kinderen uit West-Vlaanderen en Antwerpen. “Zeker tien zitten er in tehuizen”, zegt Anny. “En van de overige zeventig zitten er vandaag enkelen in zo’n kritieke thuissituatie dat ook straks voor hen een tehuis lonkt.”

Kansarmoede gaat immers vaak gepaard met andere problematieken. Ouders met een drug-, alcohol-, of agressieprobleem. Werkloos, straatarm en doelloos in het leven. En temidden van dat alles worden dan kinderen als Aaron, Chelsea, Keano en Keandro geboren. Die staan hier dan. Niet in hun properste jeans, niet in hun vuilste. Maar vaak gewoon in hun enige jeans.

Ik schreef het vijf jaar geleden al eens en herhaal het graag: natuurlijk zijn niet alle ouders van al die kinderen slecht. De meeste kinderen krijgen geen slaag thuis, maar in deze groep van 84 kinderen zijn er die dat wél krijgen. En de ouders van de meeste van deze kinderen zouden het eten uit hun eigen mond sparen om hun kroost te voeden. Maar sommige ouders niet. En veel kansarme ouders hebben geen drug- of alcoholprobleem. Maar hier lopen kinderen rond in kapotte kleren en met honger in hun buikje omdat hun mama of papa -of beiden- het weekbudget liever spendeerden aan bier dan aan brood. Of hun tijd liever aan wiet dan aan warmte. En toch, als ze tijdens het vakantiekamp een briefkaartje krijgen waarop ze een tekstje mogen achterlaten voor het thuisfront, beginnen veel tekstjes met ‘liefste mama, ik mis je zo.’ Leider Andy verzamelt de briefkaartjes en belooft dat ze allemaal zullen aankomen. “Maar of ze gelezen gaan worden, dat kan ik niet garanderen”, zie je hem denken.

WENSEN KOMEN UIT
Er wordt nog wel meer geschreven -of getekend- door de kansarme kinderen die eerste dagen. Want BiJeVa-bezielster Anny heeft een speciaal verhaal klaar over een heel speciale vriend: Bijouke. Dat is een enorm grote plastic figuur die in de grote eetzaal staat. “Hij heeft een glimlach van oor tot oor en staat met zijn armen open want het is ieders vriend”, zegt Anny. Bijouke verzamelt de wensen van de kinderen. “Je mag op papier alles tekenen en alles schrijven dat je wil en dat aan Bijouke geven. Zelfs allergrootste wensen mag je hem toevertrouwen. En écht waar, soms komen wensen uit.” Als later die dag -dankzij een sponsor- muffins op het menu staan, spurt één van de kinderen al naar Anny. “Mijn wens is uitgekomen, want ik had nog nooit een muffin gegeten…”
Voor veel van deze kinderen is een dagelijkse, gezonde, maaltijd uitgesloten. Anny krijgt vaak doorheen het jaar telefoontjes van de ouders om te zeggen dat er geen eten meer is. En dan rijdt ze rond in haar bestelwagen vol eten dat ze kreeg van sponsors, winkels of gezinnen die iets kunnen missen. Anny rijdt dan rond van miserie naar miserie naar miserie.

Hier, op het BiJeVa-kamp, zorgt een keukenploeg dat de buikjes gevuld geraken. Het is een divers groepje mensen met het hart op de juiste plaats. Gunther en Conny helpen een hele week mee omdat Anny er ooit was toen Conny het heel erg moeilijk had. “We zijn niks verplicht”, zegt Gunther. “Maar Anny was er ooit voor ons en nu zijn wij er voor haar en de kinderen.” Idem dito met Fatima, wiens twee kinderen mee op kamp mogen. Zij werkt in ruil een hele week mee in de keukenploeg. Met plezier!

Els heeft zelf geen kinderen en leidt een leven ver buiten kansarmoede. “Maar toen ik de verhalen hoorde van BiJeVa wilde ik meer weten. ‘Kom maar eens een dag langs’, had Anny gezegd. Maar da’s alsof je gaat kijken naar dieren in de zoo. Dat wilde ik niet. Dus bood ik me spontaan aan om te helpen.” Anneke weet dan weer verdomd goed wat kansarmoede betekent. Ik ontmoet haar als ze buiten kilo’s aardappelen schilt

in de blakende zon. “Vroeger, in het tehuis waar ik opgroeide, was dit mijn straf”, zegt ze. “Twee emmers op normale dagen, vier als het frieten waren… Het brengt herinneringen terug. Maar hier doe ik het met veel plezier.”

EEN WOUD
In de schaduw van wat hoge bomen in het park, verzamelen de kleinste kinderen intussen in een halve cirkel rond een krukje en een reiskoffer. Niet veel later duikt Joe Baele op, JoeJoe voor de vrienden. Het is een verhalenverteller uit het Brugse. In geen tijd neemt hij de kinderen mee in zijn fantasiewereld waar de hoofdrolspelertjes toch altijd iéts hebben waar een van de kinderen zich in kan herkennen. Zo is Pixie een klein, tenger mannetje dat vaak gepest werd. “Pixie woont in een woud”, vertelt JoeJoe. “En voor wie niet weet wat een woud is dat is wel zéven bossen groot!”

Op een bankje geniet Viktoria (15) van de zon. Een half jaar geleden was ze nog niet kansarm. Ze woonde met haar mama en die had een job en hadden het al bij al erg goed met hun tweeën. Maar toen kwam er oorlog in haar thuisland Oekraïne en moest ze halsoverkop vluchten. Vandaag woont ze in Zottegem. Dankzij iemand van de jeugddienst die ooit zélf nog op het BiJeVa-kamp aanwezig was, kwam Anny in contact met de tiener. “Ik had nog een bed vrij en ben haar gaan opzoeken”, zegt Anny. “Het haalt haar eventjes uit haar isolement.” Op dag twee van het kamp heeft Viktoria al een paar vriendinnen gevonden. Leeftijdsgenoten waar ze Engels mee kan spreken. Het wordt een fijne week!

Anny leidt een team van 24 vrijwilligers die een hele week lang dag en nacht klaarstaan voor de kansarme kinderen. Eigenlijk zijn het er bijna 25, want terwijl de veertienjarige Kèano meehelpt met de opruim van de ontbijttafel vertrouwt hij me toe dat hij eigenlijk ook wel al een leider is. “Ik heb hier mijn eigen kamer waar ik verantwoordelijk over ben”, zegt hij fier. Kèano kent het reilen en zeilen natuurlijk ook al goed. “Ik kom al tién jaar naar het vakantiekamp en vanzelfsprekend wil ik straks leider worden. Geen strenge, dat wil ik niet. Ooit -als kind- heb ik eens op straf moeten staan van een oudere leider, hier. Maar vandaag zijn hij en ik gelijken. Of toch bijna…”

In een hoekje van de refter is een ziekenboeg in mekaar gestoken. Dat is eigenlijk niet meer dan een rek vol medicatie en een verbandkistje. Vrijwilliger Kathleen is er verantwoordelijke voor. Op een ‘normaal’ vakantiekamp van pakweg de Chiro of de Scouts zou Kathleen vooral iso-Betadine moeten deppen over de schaafwonden op ellebogen en knieën. Hier, op het BiJeVa-kamp, ziet haar medicatiekoffer er heel anders uit. “Meer dan 20 kinderen slikken pillen”, zegt Kathleen. “Rilatine voor hyperactieve kinderen met ADHD of Risperdal voor hen die hallucinaties of andere manische episodes hebben. En sommige kinderen slikken beide.” Er is iets in mij dat knapt als ik na het ontbijt de lange rij kinderen zie aanschuiven voor hun pilletjes…

Ik ontmoette Kathleen vijf jaar geleden al eens op hetzelfde kamp, aan dezelfde ziekenboeg. Toén had ongeveer één op tien kinderen een gepersonaliseerde pillendoos bij. En toén al zei Kathleen dat ze zich zorgen maakte over de toekomst omdat het allemaal nogal gemakkelijk voorgeschreven wordt. Kathleen sprak profetische woorden. Met de jaren is de pillenberg gestegen. Vandaag slikt hier ongeveer een kwart van de kinderen medicatie. ’s Morgens iets om te kalmeren. ’s Avonds iets om te slapen. “En dan mogen we ons gelukkig prijzen als ze voldoende bijhebben voor een week. Anders is het improviseren.”

SIMON
’s Avonds duikt er onverwacht bezoek op aan jeugdherberg ’t Schipken. Het is Simon, een boomlange kerel van negentien. Nou ja, heel onverwacht is het niet, want Simon heeft nog tot zondagavond bij de voorbereidingen van het kamp meegeholpen. Simon is de jongen die vijf jaar geleden in de verhalenreeks vertelde hoe zijn papa én mama recent gestorven waren en hoe hij toen -als veertienjarige- samen met zijn twee tienerbroers alleen thuis bleef. De oudste had een rijbewijs en bracht iedereen waar hij zijn moest, de middelste kon het beste koken en onderhield het moestuintje en Simon zélf nam het huishouden voor zijn rekening. “Een nachtzoen heb ik al maanden niet meer gekregen, van niemand”, zei hij toen. Simon was toen nog een kind en smachtend naar een warme knuffel. Zoals heel erg veel van de kinderen op dit kamp.

Vandaag is Simon een flinke, volwassen kerel en heeft hij nét als zijn twee broers werk. “Mijn oudste broer is inmiddels mechanicien geworden en de middelste is leerkracht.” En Simon zelf studeerde de voorbije jaren hard en deed er zelfs een zevende jaar bij. “Sinds twee weken heb ik vast werk als metaalbewerker”, glundert hij. “Ik kon natuurlijk niet tegen mijn baas zeggen dat ik er al meteen de derde week niet zou zijn, dus ik kom na mijn uren hier nog helpen als het moet. Ik ben Anny en iederéén bij BiJeVa erg dankbaar voor wat ze voor ons betekend hebben. Dus als ik iets terug kan doen, dan doe ik het ook.”

Over zijn leven praat de wat stille Simon niet zo heel graag. Vijf jaar geleden niet en nu nog steeds niet. “We hebben het erg moeilijk gehad, mijn broers en ik. Maar we zijn samen kunnen blijven en we zijn erdoor gesparteld. We wonen nog steeds onder één dak met ons drieën en dat gaat prima zo.”

Tekst en foto’s : Kurt Wertelaers
(op vraag zijn enkele voornamen veranderd)
Morgen deel 3: Een feestje. En onverwacht groot nieuws voor Tim! www.bijeva.be

DEEL 3: Een feestje. En onverwacht groot nieuws voor Tim!

Groot feest vandaag op het kamp voor de kansarme kinderen van BiJeVa. Het is woensdag 13 juli en de kleine Iluna is zeven jaar geworden. Bezielster Anny De Windt is overigens ook jarig vandaag. “Bij mij staat er ook een zeven in”, zegt ze tegen haar medejarige. “Maar er komt nog een cijfer achter!” Applaus voor de jarigen, dus. En straks ook nog een grote ruiker bloemen voor Anny van BiJeVa-ambassadrice Slongs Dievanongs. Samen met voormalig voetballer Johan Boskamp en commissaris Migrain uit Mega Mindy bezorgt ze de kansarme kinderen een onvergetelijke dag.

Een dag vol feest en vol bekende Vlamingen gaat vanzelfsprekend gepaard met schmink op de gezichtjes en kleren uit een verkleedkoffer. De dag begint al met een knaller van formaat als enkele wijkagenten van de lokale politie van Geraardsbergen met een politiecombi tot aan de jeugdherberg ’t Schipken rijden. Geen moeite is te veel en alle kinderen mogen alle vragen stellen die ze willen en tegelijkertijd plaatsnemen achter het stuur van de combi om de sirenes te laten loeien. “Het is extreem belangrijk dat deze kinderen een positief beeld krijgen van de politie”, zeggen de wijkagenten. Voor sommige kinderen is de politie immers geen onbekende aan huis. “Daar staan we dan na een zoveelste oproep van huiselijk geweld. Of met een deurwaarder, om spullen in beslag te nemen omdat dat de ouders een schuldenberg hebben. En terwijl de emoties hoog oplopen en wij de gemoederen moeten bedaren, zit dan zo’n kleintje ons aan te staren in de zetel. Dat beeld nemen ze mee voor altijd.”
Vandaar dus dat op het zomerkamp van BiJeVa de politie altijd eens even langs komt. Ze doen dat vanzelfsprekend ook om Anton Cogen, beter bekend als politiecommissaris Migrain uit Mega Mindy, bij te staan. Die heeft altijd wel enkele boodschappen voor de kinderen. Vijf jaar geleden ontmoette ik hem op het vakantiekamp. De kinderen hingen aan zijn lippen. “Maar het jaar nadien ging het licht voor me uit”, zegt de commissaris. “Op een zondag in november kreeg ik een beroerte. Ik heb lang gerevalideerd en veel opnieuw moeten leren. Mijn stem bijvoorbeeld -mijn wapen als acteur- was ik kwijt.”
Maar vandaag staat hij er opnieuw. Voor het eerst in vijf jaar. Het gaat allemaal wat trager, maar dat deert de kinderen niet. En commissaris Migrain gebruikt het in zijn verhalen. “Ik ben misschien wel de oudste commissaris van het land. En dus vanzelfsprekend ook de slimste!”

Gelukkig maar, want terwijl de kinderen van het vakantiekamp geboeid naar de verhalen van commissaris Migrain luisteren, komt Anny De Windt in paniek de ruimte binnen met een lege kluis in de hand. “Help, help, iemand heeft al het geld van BiJeVa gestolen!”, roept ze. En dan met een diepe zucht als ware het een echte actrice: “We gaan het eten niet kunnen betalen…”

Commissaris Migrain en de wijkagenten van Geraardsbergen aarzelen geen seconde en verdelen de kinderen vervolgens in groepen om op zoek te gaan naar de dief. Met succes. Het geld wordt teruggevonden, de dief gearresteerd. Met dank aan de kinderen. En een beetje ook aan de succesvolle aanpak van commissaris Migrain, die nog even blijft voor gebak. “De verhalen van de kinderen en hun achtergronden, het raakt me keer op keer”, zegt Cogen. Zelf groeide hij op als zoon van een knecht en een meid in het kasteel van een baron. “Een kasteel met 36 kamers”, zegt hij. “En ik werd naar school gebracht door een privéchauffeur…”

Anton Cogen heeft een zwak voor kansarmoede. “Je kiest niet waar je wieg staat. Ik zal blijven strijden tegen kansarmoede bij kinderen. En zolang het kan zal commissaris Migrain hier van de partij zijn!”

Terwijl de allerkleinsten het goud tellen en de snoep opeten die ook in de kluis zat, maakt ook BiJeVa- ambassadrice Slongs Dievanongs haar opwachting. Haar muziek galmt door de boxen en zelf zet ze wel honderd keer haar handtekening. Het is een topdag voor de kinderen!

PROCUREUR
Wat verderop zitten drie jonge meisjes te praten en te giechelen. Vijf jaar geleden waren ze hier ook met hun drie. Toen varieerden hun leeftijden tussen de dertien en de vijftien jaar. Sharon, Axelle en Lotte waren toen al onafscheidelijk, ook al was hun achtergrond anders -Sharon en Axelle groeiden op in kansarmoede, Lotte is de dochter van hoofdleidster Isabelle en de kleindochter van Anny. Wat de toekomst brengen zou was toen heel onduidelijk, maar dat het vriendinnen voor het leven zouden blijven, dat stond toen al vast. Vandaag ziet de toekomst er voor de drie erg mooi uit.

Sharon -oudste uit een kansarm gezin met vier kinderen- is net twintig, afgestudeerd en gaat nu verder voor kinderbegeleidster studeren in het volwassenenonderwijs. “De laatste keer dat we mekaar zagen was ik één van die bijna 100 kansarme kinderen”, zegt ze. “Deze zomer is mijn eerste zomer als begeleidster. Ik ben blij

dat ik stappen heb gezet die het mogelijk maken om straks zelf voor kinderen te doen wat BiJeVa ooit voor mij heeft gedaan.”
Ook Axelle -vijf jaar geleden een van de kansarme kinderen- heeft de lanyard van leidster rond haar hals hangen. Ze heeft net haar eerste jaar criminologie aan de VUB in Brussel achter de rug. “Het was een hels jaar”, zegt ze. “Ik woon immers niet thuis, maar bij een vriendin. Het was hard studeren, maar mijn droom is aan het uitkomen. Later wil ik procureur worden en zaken doen rond drugs en jeugd. Eigenlijk met jongeren bezig zijn.” De jeugd van Axelle liep niet over rozen. “Het is net daarom dat ik later als procureur een proberen een verschil te maken voor de jongeren die met justitie in aanraking komen.”

Lotte is eigenlijk een buitenbeentje op dit kamp. Ze is niet kansarm, ze is de dochter van hoofdleidster Isabelle en dus de kleindochter van BiJeVa-bezielster Anny. “Ik ga al mee op kamp van het prille begin, zegt ze. Ik ben samen met deze kinderen opgegroeid. De kinderen zitten hier per leeftijdscategorie aan lange tafels in de refter. Wel, ik heb intussen aan elke tafel gezeten. Nu Lotte zelf leidster is, is er nog een bijkomend voordeel. Voordien, als ‘dochter van’, moest ik altijd op de kamer bij mijn mama en papa slapen terwijl ik eigenlijk bij mijn leeftijdsgenootjes wilde slapen. Ik vond dat vanzelfsprekend niet leuk. Maar nu besef ik goed dat ik anders misschien het bed van een kansarm kind had ingepikt.”
Axelle, Lotte en Sharon stonden vijf jaar geleden samen en naast mekaar op een foto. En die foto reconstrueren we deze zomer zo goed als we kunnen opnieuw. En als het van de drie lachende meiden afhangt, doen we dat binnen vijf jaar opnieuw!

HONDERDEN HOTDOGS
Als we terugkeren van de geïmproviseerde fotoshoot is het binnenpleintje nagenoeg leeg. De kansarme kinderen zijn zich allemaal aan het klaarmaken voor de laatste avond en daar hoort natuurlijk een fuifje bij. Er is muziek, er is dans. De kinderen amuseren zich rot en Anny wisselt dans af met een rustpauze op een bankje. Viktoria, het Oekraïnse tienermeisje dat mee op kamp ging, schuifelt zachtjes tot heel dicht bij Anny en fluistert in haar oor: ‘Dankjewel dat ik meemocht!’. Anny glundert.
Intussen zijn ook de leden van Kiwanis Aalst -een van de hele grote sponsors- het terrein opgewandeld en voeren ze dozen vol broodjes en worsten aan. Honderden en honderden hotdogs worden klaargemaakt en meerdere kansarme kinderen schuiven meer dan eens terug aan in de lange rij. Na de hotdogs een ijsje. En dat wordt uitgedeeld door Lauren, dochter van een van de Kiwanis-leden. Vijf jaar geleden stond ze op identiek dezelfde plek hotdogs en ijsjes uit te delen. “Iedereen zou dit minstens één dag in zijn leven eens moeten doen”, zegt ze. “Het plaatst àlles in perspectief. Als je naar andere -dure- jeugd- en vakantiekampen kijkt, dan zie je kinderen die alles hebben. Deze kinderen hebben niets en zijn blij met het minste. Ik sta hier nu wel met een brede glimlach en ik lach en dans mee. Maar ik ben zeker dat als ik straks naar huis rij, me de droefnis weer overvalt.”

Voor Tim, de leider uit het kansarme milieu die droomt van een eigen autogarage, krijgt de avond nog een onvoorziene wending. Ergens tussen twee hotdogs door en met een paar spelende kinderen rond zijn enkels, raakt hij toch aan de praat met Koen Valckenier, grote man achter het gelijknamige autobedrijf uit de regio. En na een gepassioneerd gesprek over auto’s en dromen is een en ander beklonken: Tim mag straks een stage lopen bij het bedrijf.

Tim, ooit die kleine kleuter die met zijn jonger broertje een jaar lang in de truckerscabine van zijn papa leefde om nadien te starten aan een leven in een steenkoud en bouwvallig huurhuis. Tim, die me vijf jaar geleden vertelde hoe hoe zijn papa op een stuk karton op de grond sliep om de twee broertjes het bed te gunnen. Tim, die vertelde hoe het bij momenten vroor dat het kraakte en het water op de keukentafel ’s ochtends een blok ijs was. Tim, die vertelde hoe een garagist uit het dorp zijn familie mee uit de kansarmoede heeft getrokken. Diezelfde Tim krijgt hier op het kamp voor kansarme kinderen een stageplaats aangeboden. Hoe mooi is dat.

Tekst en foto’s : Kurt Wertelaers
(op vraag zijn enkele voornamen veranderd)
Morgen slot: Op dit moment hebben een paar kinderen alweer honger geleden www.bijeva.be / crowddonation.be

Slot: Op dit moment hebben een paar kinderen alweer honger geleden

Hoe hecht de BiJeVa-familie ook wordt tijdens een week vakantie, de laatste dag splijt de groep kinderen zichtbaar in twee. De grootste groep eet nog snel alles op wat ze op kunnen eten, ravot nog een laatste keer heel heel goed en kan niet wachten om thuis over de avonturenweek en de nieuw gemaakte vriendjes te vertellen. En daarnaast is er een -kleiner- groepje kinderen stil en teruggetrokken. Kinderen die straks liever niet op de autobus naar huis stappen. Liever niet terug richting miserie, huiselijk geweld en kansarmoede.

Voor de leiding en de vrijwilligers is de laatste nacht overigens altijd de allerkortste. Eenmaal het laatste kind slaapt, gaat stiekem een ruimte open waarin grote kartonnen dozen vol geschenken een weekje verborgen hadden gelegen. Een heel jaar lang zoeken BiJeVa-bezielster Anny De Windt en haar team vrijwilligers naar sponsors en hulp voor de kansarme gezinnen. Het maakt dat Anny voeding en kledij kan schenken aan de gezinnen die dat nodig hebben. Het maakt dat haar echtgenoot Toon -de stille administratieve kracht achter de organisatie- financiële middelen heeft om links of rechts eens een schoolrekening te betalen of tussen te komen als er weer een deurwaarder dreigt. Het maakt dat het echtpaar het hele jaar door samen met hun vrijwilligers kunnen bijspringen in geval van nood. En het maakt dat er voor élk van de kansarme kinderen op het vakantiekamp een extraatje is op het einde van de week.

Op lange tafels stallen de vrijwilligers de dozen uit en dan wordt een ketting gevormd en vult iedereen grote zakken vol gekregen spulletjes. Van brooddozen, badhanddoeken en petjes over strips en kleurpotloden tot melk, brood en snoep. De stoere vrijwilliger Eddy, met zijn zware bottines, geitensikje en tattoos, laat zich die laatste nacht van zijn meest kwetsbare kant zien als hij nog een zak vol cadeautjes bovenhaalt die hij doorheen het jaar verzameld heeft. Van Panini-stickers over plastic armbandjes tot de gouden munten die commissaris Migrain had teruggevonden, Eddy is de hofleverancier van de kleine extraatjes in de tassen.

INTRIEST
Als bij het ochtendgloren van die laatste kampdag Anny eventjes alleen op een bankje door haar koffie roert en de drukte vanop een beetje afstand gadeslaat, vraag ik wat het haar nog doet als kansarmoede al meer dan vijftien jaar zo onder je vel kruipt. “Nog evenveel als die allereerste keer dat ik een kamp organiseerde”, zegt ze. “Of er iets veranderd is in al die jaren? Neen…”
En je kan dat draaien of keren hoe je wil. Als organisaties als BiJeVa nodig zijn om kinderen een week lang eten, propere kleren en een warme nest te geven, dan is er gewoon nog echt iets mis.
“We proberen tegemoet te komen aan veel dingen”, zegt Anny. “En vaak lukt dat ook wel. Als er honger is, dan kunnen we dat oplossen. Als er kledij nodig is, dan vinden we die wel. En als een kind een knuffel nodig heeft, dan zijn we er ook.”
Eén ding lijkt Anny niet te kunnen oplossen. “Het gemis, als broertjes en zusjes mekaar lange tijd niet kunnen zien omdat ze opgroeien in een verscheurd gezin. Of omdat ze geplaatst zijn in tehuizen of elders. De meeste kinderen in die situaties zouden maaltijden willen overslaan en nog een paar weken langer in vuile kleren rondlopen, als ze hun broertje of zusje nog maar eens konden zien. Het feit dat wij hier, op onze vakantieweek, broertjes en zusjes herenigd hebben die mekaar zo lang niet hebben gezien, dat grijpt me zo hard aan. Dat zijn de verhalen die me intriest maken.”

FLUITJE
Langzaam worden de slaapzalen leeggemaakt. Vooral de grotere kinderen doen dit zelf. Ze helpen opruimen en gooien het beddengoed op één grote hoop. Alleen de allerkleinsten -de vijf- en zesjarigen- hoeven dat niet zelf te doen. Daar doet hun begeleidster Linda dat voor hen. Linda is een bijzonder zachtaardige vrouw. Zélf oma van wat kleintjes. Ze draait al van bij het prille begin mee als vrijwilliger. Als ik vraag wat de verhalen van de kinderen met haar doen, dan blijft ze het antwoord schuldig. Bewust. “Weet u dat ik het eigenlijk niet hoef te weten?”, zegt ze zachtjes. “Vroeger, die eerste jaren dat ik meekwam, dan briefte Anny ons altijd een week op voorhand. Dan wist ik dat ik een slaapzaal had met vijf kindjes van een jaar of zes en dat bijvoorbeeld de papa van Sofietje al wel eens was opgepakt voor misbruik en de kleine Pieter thuis geregeld in de klappen deelt. Ik sliep daar niet van, van die miserie. Niet de week voor het kamp, niet de week tijdens en niet de week erna. Ik heb toen tegen Anny gezegd ‘ik moet het niet meer weten, die bittere ellende thuis. Ik geef hen hier een week de warmte die ik mijn eigen kinderen of kleinkinderen zou geven. Dat is wat ik doe. De rest telt niet.”
Linda is ook de énige vrijwilligster die ik van heel de week niét op haar fluitje aan haar lanyard heb zien blazen. Ik moet toegeven: af en toe leek het op scheidsrechters bij een voetbalwedstrijd, het gefluit om luid roepende -of soms ruziënde- kinderen tot de orde te roepen. Linda heeft niet één keer gefloten. “Ach, op

hen fluiten of hen straffen of in de hoek zetten, dat zien ze thuis al genoeg. Dat hoeft hier voor mij niet.” De zes kleine kinderen die Linda een hele week bij haar had, wacht nog een extra verrassing. “Een van mijn eigen kleinkinderen vraagt me elk jaar opnieuw hoeveel kindjes ik op het vakantiekamp heb. Dan noem ik een cijfer en neemt ze me mee naar haar slaapkamer en haar rekje met knuffels. ‘Je mag voor iedereen in je kamer eentje kiezen’, zegt ze dan. Ik ben daar zo fier op. En dus krijgen mijn kindjes hier een extra knuffeltje mee naar huis.”

HOEREN EN TAMBOEREN
Terwijl de grootste groep kinderen spelend de laatste ochtend in het park rond de jeugdherberg doorbrengen, zit Dylan alleen tegen een grote boom. “Blij dat je naar huis mag?”, pols ik voorzichtig terwijl ik me naast hem zet. Dylan haalt de schouders op. “Hier is het fijn wakker worden. Met muziek enzo. Thuis slaat mama met twee braadpannen tegen elkaar tot ik wakker ben. En straks zal er weer een ‘dikke party’ thuis zijn en kan ik niet slapen.”
Welk feestje er precies thuis is, dat weet Dylan niet. Maar er is altijd veel luide muziek. En er zijn altijd veel mensen die hij niet kent. Dylan noemt het party’s want zo noemt zijn mama het ook altijd. Er is er elke week wel eentje. Wat de jongen nog het meest verdrietig maakt is dat mama altijd feestjes geeft, maar toen Dylan enkele weken geleden elf werd, was ze dat vergeten. Net als het jaar voordien. “Die van mijn jonger zusje was ze ook vergeten, maar daar heb ik een tekening voor gemaakt. Vroeger dacht mama wel aan onze verjaardag, maar de laatste jaren niet meer zo.”
Dylan is de zesde uit een gezin met zeven kinderen. Hij heeft nog een jonger zusje van een jaar of acht. Ook haar verjaardag is al lang niet meer gevierd. Mama vergeet zulke dingen. Het woord ‘gezin’ is in deze context overigens een bijzonder ruim begrip. Mama heeft zeven kinderen bij verschillende papa’s, maar woont vandaag alleen met Dylan en zijn jongere zus. Een paar van haar andere minderjarige kinderen zijn geplaatst in tehuizen en wat anderel kinderen mag ze van de rechtbank nooit meer zien. De oudste is de deur uit en heeft zélf al kinderen. Dat maakt dat Dylan zelfs al oom is.
Als ik later aan Anny vraag wat de mama van Dylan precies doet voor de kost, haalt ze de schouders op. “Hoeren en tamboeren”, omschrijft ze het nogal liederlijke leven van de vrouw. “Voor corona was het al erg in enkele kansarme gezinnen, maar voor hen die in armoede leven is het er niet beter op geworden.” Dylans mama zocht uitwegen in een nachtelijk en zwaar leven. Het weegt op haar en op op de kinderen. Dylan gaat zelfs soms niet naar school. “Ik moet van mama niet altijd gaan”, zegt hij. “Dat gaat ook soms gewoon niet, omdat we ’s avonds nog naar mensen moeten en dan kijk ik daar televisie of blijf ik er op de zetel slapen.” Welke mensen dat zijn weet Dylan niet, hij kent die mannen niet. “Maar soms is er daar ook een kind en dan kijken we samen televisie of spelen we computerspelletjes tot ’s morgens.”
Dylan is elf en is moe. Die party thuis vanavond had voor hem echt niet gemoeten.

LEGE SLAAPZAAL
Vijf jaar geleden ging ik voor het eerst een week op vakantie met BiJeVa. Ik tekende toen de verhalen op van kinderen die met honger gingen slapen en beschreef de miserie die verborgen leeft onder ons. Het ging om kinderen uit uw straat. En de mijne. Kinderen uit uw dorp. En het mijne.
Ik vroeg me af hoe het hen vergaan was. Wat er van hen geworden was. Zou er iets veranderd zijn, op die vijf jaar? Het antwoord is neen. Er is meer kansarmoede dan ooit.
Op het moment dat u dit leest zijn de kinderen van BiJeVa allemaal terug thuis of in het tehuis waar ze verblijven. Sommigen hebben intussen alweer honger geleden of huiselijke twisten meegemaakt. Sommigen hebben op een zetel geslapen in een huis dat ze niet kennen, terwijl hun mama aan het werk was. Sommigen hebben alweer gedeeld in de klappen.

Ik heb wel gezien dat sommige kinderen er -ondanks alles- in slagen om toch een leven op te bouwen, met de middelen die ze hebben. Dat ondanks alles sommige kinderen toch proberen te studeren en dromen hebben. En ik heb gezien dat er een heel pak volwassenen zich inzet om dromen te helpen waarmaken. Het is voor sommige kinderen ‘too little too late’, maar gelukkig maken hartverwarmende initiatieven zoals dit iets goed voor iemand.

Als de bus vol kansarme kinderen ’t Schipken in Geraardsbergen verlaat en de vrijwilligers achterblijven zie ik er een paar die doen alsof ze in hun slaapzaal nog eventjes wat moeten opruimen. Maar dat is niet zo. Een hele week hielden ze zich kranig voor de kinderen, maar dit is het moment dat de vrijwilligers toch eventjes wat tijd zich moet hebben. Alleen, in een hoekje van een lege slaapzaal.

Wat een week.
Als ik het terrein verlaat en mijn auto opzoek, diep ik uit mijn rugzak mijn papieren agenda op, blader ik naar volgend jaar en omcirkel ik de datum van Dylans verjaardag.

Tekst en foto’s : Kurt Wertelaers

(op vraag zijn enkele voornamen veranderd) www.bijeva.be / crowddonation.be

Shopping Cart
Scroll naar top